Menu
    English

    Ontmoeting 73 | de Rotterdamse aanpak

    De ongelijkheid voor wat betreft afstudeerkansen neemt toe, door het vorig jaar ingevoerde leenstelsel, maar ook door toenemend verschil in studiesucces tussen kinderen van laag- en hoogopgeleide ouders. Hogeschool Rotterdam zag dit al eerder aankomen en stelt een nieuwe, Rotterdamse aanpak voor om de verschillen te verkleinen.

    Er is ongelijkheid in het onderwijs, en die neemt toe. Dinsdag 19 april publiceerde het Ministerie van OCW een onderzoek van ResearchNed waarin zichtbaar wordt dat de effecten van het leenstelsel vooral eerstegeneratiestudenten en studenten met een functiebeperking afschrikt. De week daarvoor publiceerde de Onderwijsinspectie het rapport ‘De staat van het Onderwijs’ waarin gesteld wordt dat het verschil tussen het succes van kinderen van laag- en hoogopgeleide ouders toeneemt. We zagen dit als hogeschool al een jaar geleden aankomen en stellen nu de Rotterdamse aanpak voor. Daarvoor vragen we experimenteerruimte.

    Onderwijs verkleint niet, maar vergroot verschillen

    In De staat van het Onderwijs toont de inspectie een ongemakkelijk en herkenbaar beeld van hoogopgeleide ouders die sterk betrokken zijn bij de schoolloopbaan van hun kinderen, in schril contrast met de betrokkenheid van laagopgeleide ouders. Zij vertrouwen op de school die hun kroost voorsorteert voor een beroepsopleiding. Het rapport toont bovendien nog iets anders aan. We wisten al dat de achtergrond van ouders impact heeft op succes. Wat principieel kwalijk is, is dat het publieke onderwijs dit verschil niet verkleint, maar verder vergroot. Leerkrachten overschatten de capaciteiten van kinderen van hoog opgeleide ouders, en onderschatten die van kinderen van laag opgeleide ouders. Laatbloeiers, vaak kinderen van laagopgeleiden, krijgen daardoor in het vervolg van hun onderwijsloopbaan steeds minder kansen. Switchen tussen opleidingen wordt steeds moeilijker en stapelen is financieel erg onaantrekkelijk gemaakt. 

    Vorig jaar hebben we met enkele collega’s van Hogeschool Rotterdam het essay Kwaliteit in de klas geschreven waarin we lieten zien dat de emancipatiefunctie van de hogescholen onder druk staat. We hebben geanticipeerd op de maatschappelijke en politieke wens om het niveau van de bacheloropleidingen te versterken. Dat vertaalde zich in meer aandacht voor vakkennis en voor cognitieve en reflectieve vermogens. Sindsdien is een stuwmeer van langstudeerders ontstaan en zien we dat vooral mbo en allochtone studenten slechter presteren. 

    Dus ja, dit alles is heel zorgelijk, en nee dit is niet nieuw. De verontwaardiging nu voelt ongemakkelijk, wie oplette kon dit zien aankomen. Overigens, de ontkenning die hier en daar te beluisteren is, voelt minstens net zo ongemakkelijk. 

    In Rotterdam hebben we vorig jaar geconstateerd dat je het eindniveau niet kunt verhogen zonder het onderwijs te veranderen. Het is niet toevallig dat studenten met laagopgeleide ouders – oververtegenwoordigd in de instroom vanuit het mbo en in de Rotterdamse jongerenpopulatie met niet-westerse wortels – het hardst worden getroffen. Echte verbinding aangaan met deze studenten blijkt moeilijker te zijn voor een docent die waarschijnlijk zelf uit de hoogopgeleide middenklasse komt. Ook de docenten op Hogeschool Rotterdam schatten de capaciteiten van studenten niet altijd gelijkwaardig in. Dat is menselijk. Het is makkelijker goed contact te hebben met de enthousiaste meiden voor in de klas dan met de jongens met petjes achterin. Het vraagt veel van je pedagogische en didactische vaardigheden om alle studenten te betrekken en ieders talent tot uiting te laten komen.

    Doceren doet er toe

    Onze docenten zijn vooral vaklui, gepassioneerd over hun inhoudelijke expertise en vaak rijk aan praktijkervaring. Een vandaag gepubliceerd intern onderzoek onder ruim drieduizend studenten van Hogeschool Rotterdam dat hier te lezen is laat zien dat onze docenten bijzonder hoog gewaardeerd worden op ‘enthousiasme voor het vakgebied’ (80%). Op het vlak van 'de studenten kennen' (52%), 'duidelijke instructies en feedback geven' (46%) en 'het hebben van hoge verwachtingen' scoren we significant lager. 

    Dat is op zich niet gek. We werven docenten in het hoger onderwijs niet op basis van leservaring of affiniteit met (Rotterdamse) jongeren maar op inhoud. Ook onze didactische scholing was tot voor kort eenzijdig gericht op het betrouwbaar kunnen toetsen en verantwoorden in plaats van de pedagogische relatie met studenten. Die gebrekkige aandacht voor het ‘ambt’ docentschap zien we terug in het ontbreken van carrièremogelijkheden in het docentschap. Hogeschoolcollega Hans van der Moolen maakte dat in de column ‘Doceren is bijzaak’ op pijnlijke wijze inzichtelijk. Wil je carrière maken in het hbo dan moet je stoppen met lesgeven en gaan onderzoeken of coördineren. Als dit de norm is in het hoger onderwijs vinden we het dan gek dat we op dit vlak nog veel te leren hebben volgens onze studenten?

    We zijn op Hogeschool Rotterdam daarom anders gaan nadenken over het docentschap. We veranderen zowel de werving en de professionalisering en creëren in samenspraak met onze docenten betere carrièrepaden. Wat komt er bij kijken om uitstekend te doceren? Dat betekent bij uitstek oog hebben voor al het talent in je klas. We moeten naar een situatie waarin de docent hoge verwachtingen heeft van alle studenten, hart voor hen heeft en de verbinding zoekt. Anders behandelen we studenten simpelweg niet gelijkwaardig. We worden dan een elitaire school die studenten uit een hoogopgeleid milieu aan een diploma helpt en andere studenten slechts aan een ‘sociale’ studieschuld. Dat moeten we niet accepteren, zeker niet in Rotterdam.

    Rotterdamse aanpak hbo-schakelprogramma

    Maar de docent doet het niet alleen. We moeten ook bereid zijn ons systeem beter in te richten. In gesprekken met onze docenten geven velen aan zich zorgen te maken over de aansluiting met het voorbereidende onderwijs. Voor de havo instroom geldt een profielenbenadering. Het profiel bepaalt wat je kunt studeren. Heb je C&M gedaan? Dan kun je niet direct instromen bij werktuigbouwkunde omdat je teveel wiskunde mist. Dit werkt, en dat zien we ook terug in de resultaten. Voor toelating van mbo-studenten geldt nu iets anders. Als de mbo-opleiding goed inhoudelijk aansluit op de hbo-opleiding behoren de studenten tot onze top. Als dit niet zo is gaat het mis. We missen voor de aansluiting mbo-hbo de eenvoudige profielenbenadering waarmee we de toegang helder kunnen organiseren. We willen daarom strenger worden voor mbo’ers; hen alleen directe toelating geven op basis van een opleiding die inhoudelijk verwant is.

    We willen de ruimte om strenger te zijn, zonder mensen uit te sluiten. Strenger zijn, omwille van studiesucces en toegankelijkheid. Daartegenover willen we studenten die niet direct kunnen instromen, helpen met een hbo-schakelprogramma. In dat hbo-schakelprogramma, dat we samen met de Rotterdamse ROC’s ontwikkelen en dat verzorgd wordt door docenten van hbo- en mbo-opleidingen oefenen studenten, binnen de context van het beroep waarvoor wordt opgeleid, met reken- en taalvaardigheid en met daarop voortbouwende vaardigheden als de omgang met grote hoeveelheden stof, abstract redeneren en reflecteren. We weten uit verschillende onderzoeken, waaronder het onderzoek van collega Chantal van der Putten, dat dit goede voorspellers zijn voor succes in het hbo.


    Als de verontwaardiging die het land nu overspoelt oprecht is, en we de groeiende kloof willen dichten, dan moeten we bereid zijn tot actie over te gaan. Zowel in de klas als in Den Haag. We hebben in Rotterdam de handschoen vorig jaar al opgepakt. Nu staan we klaar om samen met onze ROC-collega’s een experiment te starten voor betere mbo-hbo aansluiting. Daarvoor vragen we geen geld voor het hbo-schakelprogramma als zodanig, we willen daar zelf in investeren. Van de Minister vragen we de wettelijke experimenteerruimte en een regeling die er voor zorgt dat mbo-instromers hun schuld niet extra zien oplopen omdat wij hen meer kansen bieden.

    Over de auteur

    Ron Bormans - Voorzitter College van Bestuur Hogeschool Rotterdam

    Ron Bormans (1957, te Schinnen, Zuid-Limburg) mag zich verheugen in een lange periode van ontmoetingen in en met het hoger (beroeps)onderwijs. Tijdens zijn studies: Natuurkunde (propedeuse) in Eindhoven en Politicologie / Bestuurskunde in Nijmegen. Maar ook in zijn loopbaan. Hij werkte o.a. als plv. directeur HBO en directeur Studiefinanciering bij OCW. Daarnaast was hij consultant bij Capgemini. Op dit moment geeft hij leiding aan Hogeschool Rotterdam als bestuursvoorzitter, een functie die hij eerder bekleedde bij de HAN. Maar hij deed ook de HvA en Inholland aan en hield toezicht op onderwijsprogramma's als directeur NQA.

    Elke twee weken is de nieuwe blog-post ook te volgen op Twitter via @ronbormans1.