Menu
    English

    Ontmoeting 60 | de kennisbasis en de pedagogiek

    Spreken voor lerarenopleiders en pedagogen. Werken aan het niveau en de kwaliteit van het onderwijs. En het mbo moet aan de bak om het eigen studiesucces te verhogen, terwijl het hbo inzet op meer aandacht voor de student in de klas.

    Vrijdag 2 oktober: spelen met de punt naar achteren

    Een zaal vol lerarenopleiders. Wiskunde, natuurkunde, scheikunde en biologie. De opening van een dag werken aan wat we in het jargon 'de herijking van de kennisbasis' noemen. De lerarenopleiders hebben een aantal jaren geleden de handschoen opgepakt om meer gezamenlijk te werken aan de het niveau en de kwaliteit van het onderwijs. Het project 10voordeleraar zag het licht: alle opleidingen denken samen na over de kern van het vak en borgen samen het niveau door gemeenschappelijk, landelijk te toetsen. Met als gewenst neveneffect dat docenten van dezelfde opleidingen elkaar meer gaan treffen en meer het gesprek voeren over de inhoud van hun vak, het van elkaar leren hoe toetsen te maken, onderwijs te ontwikkelen, inhoud te definiëren. Heel belangrijk bij opleidingen waar er soms maar vijf van zijn in het land en waarbij het aantal docenten werkzaam bij één van die opleidingen op twee handen te tellen is .

    Ik mag openen en speel met een veel gebruikt begrip uit de voetbalwereld: spelen met de punt naar achteren (bepaalde opstelling van het elftal, red.). Als ik naar voetballen kijk, let ik vaak in het bijzonder op de verdedigende middenvelder. Toen ik nog droomde van een carrière als profvoetballer (welke jongen doet dat niet) was dat mijn plek. Mijn favoriet. Vaak een wat sober acterende speler, verdedigend sterk, altijd aanspeelbaar, die controle en structuur in het team brengt, lijnen uitzet en vaak aan het begin van de succesvolle aanval staat. De man met de pass, voor de pass die leidt tot de assist.

    In mijn verhaal waarmee ik de dag open, schets ik een middenveld in de vorm van een driehoek waarbij de meer vooruitgeschoven punten het onderwijsprogramma en de toets zijn. In de punt naar achteren - de basis, de controleur, de structuur - staat de kennisbasis. Waar we vaak over praten (op school, landelijk, in de politiek) is over de wenselijkheid van wel of niet centraal toetsen. Het is een zoektocht naar de aansluiting tussen het onderwijsprogramma en de centrale toets. Waar we ons meer op moeten concentreren is de verdedigende middenvelder, de kennisbasis. Waar moet de opleiding over gaan, wat is de kern, wat is het niveau daarvan? Als ik het nu over 'we' heb, bedoel ik eigenlijk 'ze', onze docenten. Als we het hebben over professionele autonomie en verantwoordelijkheid, dan moet die op hen van toepassing zijn. Als daarover consensus bestaat in de professionele gemeenschap van docenten en we vertalen dat naar goede onderwijsprogramma’s en valide toetsen, dan zul je zien dat we een soepel draaiend en uitgebalanceerd middenveld hebben in onze lerarenopleidingen.

    Maandag 5 oktober: Fred Rutten, de pedagoog van het moderne voetbal

    Twee workshops voor pedagogen. Ik verzorg ze samen met collega Izaak Dekker, docent, filosoof en beleidsadviseur.

    Izaak en ik presenteren de diagnose die we tijdens de jaaropening hebben getoond. Tijdens die jaaropening hebben we indringend gecommuniceerd dat we zorgen hebben over de hoge uitval van mbo'ers, het teruglopende studiesucces bij deze groep. Een groot vraagstuk dat klein - maar daarmee niet minder radicaal - te maken is wat betreft de oplossing: ga op zoek naar een meer passende pedagogiek in de klas. Een vraagstuk dat in de kern niet te vangen is in structuuroplossingen, beleid, regels of kwaliteitsafspraken, maar dat een grondige doordenking behoeft of we nog wel lesgeven op een manier die aanslaat bij grote delen van onze studentenpopulatie, in het bijzonder de studenten met een achtergrond in het beroepsonderwijs.

    Het hbo heeft de afgelopen jaren een zekere 'academisering' ondergaan. Meer aandacht voor kennis, meer aandacht voor de inhoud, meer aandacht voor de reflectieve vaardigheden. Het hbo is dat gaan doen omdat het  zes jaar geleden van de samenleving op zijn donder heeft gehad. Het niveau was niet hoog genoeg. In de krant verschenen artikelen over de ondraaglijke lichtheid van het hbo. De commissie Veerman was hard en simpel in haar oordeel: het niveau van het hbo was niet hoog genoeg. We schrokken, hebben de mouwen opgestroopt en zes jaar later is het hbo onherkenbaar veranderd: meer aandacht voor kennis, meer gezamenlijk nadenken over wat er qua inhoud in onze programma's thuishoort (landelijke kennisbases!), betere vormen van toetsen, zwaardere afstudeereisen, meer onafhankelijkheid in de eindbeoordeling van studenten, en voor sommige opleidingen meer selectiviteit c.q. toetsen voor de poort. Zoals bij onze Pabo's. Het succes is ongekend. De succesvolle accreditatie van de Pabo's is daar een treffende illustratie van.

    De gekelderde instroomcijfers voor juist deze opleiding introduceren een nieuw vraagstuk. Onze Pabo laat een instroomdaling zien van 50%. Verder: mbo'ers komen de Pabo niet eens meer binnen en de instroom is vrijwel volledig 'verwit'. Je lost een probleem op, er ontstaat een nieuw vraagstuk. We hebben de balans nog niet te pakken.

    De oplossing is tweeërlei. Het mbo moet aan de bak. De boodschap die het hbo zes jaar geleden te horen kreeg, echoot nu door richting mbo. Het niveau moet omhoog, kennis moet op orde gebracht. We moeten snel de fout herstellen van het afschaffen van de rekentoets. En als deze niet valide blijkt te zijn? Een nieuwe ontwikkelen. We hebben een soort profielenbenadering nodig bij de overgang mbo/hbo (vergelijkbaar met de benadering havo/hbo) en we moeten radicale oplossingen durven doordenken als schakelprogramma's of misschien wel gaan programmeren op vijfjarige programma's voor mbo'ers. Als de praktijk er één is dat ze óf uitvallen óf er langer over doen, waarom dan daar niet op programmeren?

    En goed kijken naar wat er bij ons in de klas gebeurt. Vooral dat. Hand in eigen boezem. Ook al zitten er problemen in de aansluiting mbo/hbo, studenten hebben het recht bij ons te studeren en verdienen dat wij er voor gaan. We moeten de didactiek van het beroepsonderwijs opnieuw doordenken. Kritisch kijken of we als pedagogen voldoen. Kennen we onze studenten, leven we ons voldoende in? Hoe indringend het vraagstuk is wordt tijdens één van de workshops treffend geïllustreerd door een docente Pedagogiek: "Hebben wij de oplossing voor handen c.q. recht van spreken als we zelf alleen maar blonde meisjes weten te interesseren voor ons vak?"

    De zaterdagochtend daarna lees ik in Voetbal International een interview met voetbaltrainer Fred Rutten. Hoe het komt dat hij goed overweg kon met 'lastige jongens': "Ze waren lastig? Niet voor mij. Waarom weet ik niet. Ik verdiepte me in hun achtergrond, in waar ze vandaan komen. Vaak is er ook zoveel achtergrond. Eenoudergezinnen, problemen thuis. Als je het weet krijg je begrip. Als je dan samen met die speler een traject uitstippelt, moet je wel consistent zijn. Dus hem niet bij de eerste de beste misstap laten vallen. Als je vasthoudend bent, levert dat altijd resultaten op". Later zou hij daar nog aan toevoegen: en je moet streng en duidelijk zijn, harde eisen stellen. Als we luisteren naar Fred Rutten, dan betekent dit dat wij ons beter kunnen verdiepen in de achtergrond van onze studenten, maar dat wij ook wat van hen terug mogen verwachten.

    Dinsdag 13 oktober: buurvrouw op bezoek

    Succesvol onderwijs is als het Nederlands elftal tijdens de laatste twee WK's: elke functie is goed ingevuld, het team is in balans en op elkaar ingespeeld. Slecht onderwijs mist die balans, zoals Nederland laatst tegen Tsjechië. Die onderwijsbalans is recent het meest treffend verwoord door de vaak geciteerde hoogleraar Onderwijskunde Gert Biesta. Onderwijs kwalificeert (eigen maken van kennis en vaardigheden), socialiseert (hoe word ik lid van de - professionele - gemeenschap) en subjectiveert (de vorming van de persoon). En dus moet het onderwijs een elftal opstellen dat in balans die drie doelen dient. Als we een pijler uit het oog verliezen, betalen we een prijs in termen van niveau, van studiesucces of maatschappelijk.

    Onder voorzitterschap van Paul Schnabel is een rapport verschenen over de toekomst van het onderwijs: Onderwijs 2032. Het mooie is dat de driedeling van Biesta ook dit rapport heeft beïnvloed. Het minder mooie is dat we niet leerden van het verleden, toen we in de hoogtijdagen van het competentiegericht onderwijs uit balans raakten. En die balans dreigt ook nu weer verloren te gaan. Weer die levensgevaarlijke nuancering van het belang van kennis in de moderne samenleving. Weer het risico dat kennis 'wel op te zoeken is'. Het axioma dat het tijdperk van het competentiegericht leren inluidde, met  (opsommige plekken) alle desastreuze gevolgen vandien.

    Het lijkt als een sluipmoordenaar op de loer te liggen. Recent weer toen de befaamde '21th century skills' hot waren en de opdracht voor het onderwijs leek te versmallen tot abstracte, van actuele kennis losgezongen vaardigheden. Zelfs in het debat over het mij dierbare 'Bildung' kom je varianten tegen die onderwijs reduceren tot een abstracte schil van informatievaardigheden, analytische vaardigheden, overal - en dus nergens - iets van weten, met een scheut filosofie. Belangrijk, maar onderwijs moet stevig wortelen in kennis. En veel meer dan we soms denken, heeft kennis 'eeuwigheidswaarde'. Ik kreeg ooit les in differentiëren en integreren. Docenten als Karin den Heijer geven die lessen vandaag de dag nog steeds. En dat is goed.

    Ik bespreek het rapport met Karin den Heijer, docent wiskunde aan het Rotterdamse Erasmiaans Gymnasium. Zij werkt in het pand naast onze school, mijn buurvrouw dus. Karin roert zich nogal in het debat over de rekentoets, met name wat betreft de validiteit ervan. Het heeft haar zelfs een optreden bij Humberto Tan en Eva Jinek opgeleverd. Ik had Karin eerder ontmoet tijdens een VVD/LSVb debat over selectie voor de poort. Zij vertelt mij over haar aanwezigheid bij een discussie over het betreffende rapport, het ongemak dat ze voelde bij het modernisme van onderwijs dat niet meer leunt op kennis. Ik vertel haar over mijn persoonlijke ontwikkeling. Ook ik heb in het verleden teksten verkondigd over 'leren leren', weliswaar altijd met een onderstreping van het belang van kennis in het onderwijs, maar heb daarmee ook - ongewild - bijgedragen aan vormen van modernisering waar we later collectief op terug gekomen zijn. Daarom zijn opvattingen als die van Biesta zo belangrijk en moeten we voortdurend alert zijn op balans in ons elftal.

    Een verdediging die goed staat, gebalanceerde opbouw en scoren, gaan samen. Net zo als inhoud van het onderwijs, didactiek/pedagogiek en maatschappelijk resultaat.

     

    Over de auteur

    Ron Bormans - Voorzitter College van Bestuur Hogeschool Rotterdam

    Ron Bormans (1957, te Schinnen, Zuid-Limburg) mag zich verheugen in een lange periode van ontmoetingen in en met het hoger (beroeps)onderwijs. Tijdens zijn studies: Natuurkunde (propedeuse) in Eindhoven en Politicologie / Bestuurskunde in Nijmegen. Maar ook in zijn loopbaan. Hij werkte o.a. als plv. directeur HBO en directeur Studiefinanciering bij OCW. Daarnaast was hij consultant bij Capgemini. Op dit moment geeft hij leiding aan Hogeschool Rotterdam als bestuursvoorzitter, een functie die hij eerder bekleedde bij de HAN. Maar hij deed ook de HvA en Inholland aan en hield toezicht op onderwijsprogramma's als directeur NQA.

    Elke twee weken is de nieuwe blog-post ook te volgen op Twitter via @ronbormans1.